| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 2 mei - vijfde paaszondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Vrienden,
Jezus geeft ons vandaag een nieuw gebod: ge moet elkaar
liefhebben. Dat hoorden we in het evangelie volgens Johannes. Ge moet
elkaar liefhebben, lijkt wel heel belangrijk te zijn. Want, aan die liefde
voor elkaar zal men ons als leerlingen van Jezus herkennen, horen we op
het einde van datzelfde evangelie. Dat klinkt ons vertrouwd in de oren.
Maar proberen we toch maar de ernst van dit gebod tot ons te laten
doordringen.
Jezus stelt de liefde op de eerste plaats. Wat komt
daardoor maar op de tweede plaats? Op de tweede plaats komt daardoor
zoiets als de opdracht, onwrikbaar trouw te blijven in de
geloofsbelijdenis van de Kerk, die we elke zondag bidden. Jezus vraagt dus
niet op de eerste plaats, dat we vast zouden geloven in één God, de
almachtige Vader, schepper van hemel en aarde. Ook niet in één Heer,
Jezus Christus, eniggeboren Zoon van God, vóór alle tijden geboren uit
de Vader. Daarom gaat het Jezus niet, hoewel dat toch wel voor gelovige
mensen vérstrekkende uitspraken zijn, die ons van andere gelovigen
onderscheiden. Wat hem het belangrijkste lijkt, is iets dat we moeten
doen, iets dat we moeten leven: van elkaar houden.
De God voor wie en uit wie Jezus leefde, stierf
en uit de dood werd opgewekt, wil vooral dat wij ons leven zouden veranderen.
We zijn zo geneigd ons leven knus verder te leiden. Maar nu wordt ons
gevraagd niet meer onverschillig naast elkaar te leven. We moeten voor de
ander en zijn noden openstaan. Ons laten derangeren, en dankbaar kunnen
zijn voor wat andere mensen, dikwijls ongevraagd, voor ons zijn en doen.
Als we eerlijk willen zijn, moeten we toegeven, dat dit geen gemakkelijke
opgave is. We beveiligen ons, maken ons onkwetsbaar. We vinden dat we ons
deel hebben gedaan, als we de ander niets in de weg leggen, als we de
ander niet benadelen. Maar misschien voelen we soms toch wel aan, dat dat
wat mager uitvalt.
Ge moet elkaar liefhebben, vraagt ons immers dat we
onszelf blijmoedig zouden wegschenken aan de ander. Jezus voegt aan
dit gebod immers toe: zoals ik u heb liefgehad, zo moet ook gij
elkaar liefhebben. Hoe deed hij dat? Vanuit de liefde voor ons van God.
Hoe God ons bemint, leren ons de mystici, die God in hun leven hebben ervaren.
Ze hebben hem niet ervaren als de zoete Jezus, die al onze wensen en
grillen wil vervullen. Maar wel als degene, die hen kracht verleende om
ongemak en lijden voor andere mensen op zich te nemen. In de eerste lezing
uit de Handelingen van de apostelen hoorden we dat we ‘door vele
kwellingen het rijk Gods moeten binnengaan’. Als we de ander werkelijk
beminnen, moeten we de risico’s, die daarmee verbonden zijn, er ook bij
nemen. Als we nadeel kunnen hebben van het feit dat we iemand helpen,
mogen we ons daardoor niet laten afschrikken. Jezus is daarin ver gegaan.
Maar hier mogen we ons troosten met de gedachte van Teresa van Avila: dat
‘de hele weg naar de hemel reeds hemel is’, juist omdat hij moeilijk
is. In het leed voor de ander ligt een onverklaarbare zoetheid en
aantrekkingskracht.
Jezus nu kon zo ver gaan, omdat hij door God werd
gedragen. Diezelfde God wil ook ons innerlijk dragen in liefde en
pijn voor de ander. De realiteit is niet zozeer dat wij in God
zijn, maar dat God met zijn grote liefde voor de mensen in ons
wil zijn. Niet wij zijn het eerst, maar God. Gods liefde breekt ons van
binnenuit open. De middeleeuwse mysticus Eckhart zegt dat God op de mensen
verzot is. Hij werkt met ons mee, en sleurt ons zelfs mee naar de ander
toe. Dichter bij ons heeft de Joodse wijsgeer Martin Buber de samenwerking
tussen God en mens als volgt omschreven: ik ben de beker, van God is de
drank, en God is degene die dorst heeft naar ons antwoord op zijn liefde
voor de ander. Wij mogen en moeten ons laten meeslepen. We moeten niet
zelf de weg naar de ander uitstippelen. God voorziet erin, op onvermoede
wijze. Jaak Vandenbulcke o.p. |
| |