| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 1 november - Allerheiligen |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Vrienden,
Deze tekst is een stukje uit de vertelling van de
schrijver over een visioen van de eindtijd na het einde van de wereld. Die
schrijver heeft dat visioen niet zo gezien, zoals hij het hier vertelt.
Hij heeft de innerlijke ervaring van een majestueuze en liefdevolle
innerlijke aanwezigheid van God aan alle mensen, die God in hun leven
kunnen ervaren, onder menselijke woorden gebracht, en die woorden voor het
eerst zo ontworpen. Heel veel mensen die visioenen hebben gehad, zeggen
dat ze wat ze ervoeren, niet onder woorden kunnen brengen. Zij zijn
overrompeld door iets overweldigends. Begenadigde schrijvers kunnen dan
wel met hun eigen menselijke woorden een verhaal bouwen, dat iets van die
overweldigende ervaring die ze hadden, kan suggereren.
Dat de schrijver in zijn vertelde visioen niet zag wat
hij vertelde, komt goed tot uiting in de laatste woorden die ik citeerde:
‘de grote menigte mensen in witte gewaden vóór de troon van God,
hadden immers hun kleren wit gewassen in het bloed van het lam. Het is
toch onmogelijk dat rood bloed kleren wit kan wassen. Dat is dus een spel
met taal om te suggereren, dat de innerlijke aanwezigheid van God vóór
de verzamelde heiligen uit alle rassen en stammen, en volken en talen,
door de kruisdood van Jezus van Nazareth van al die mensen vóór hem,
nieuwe mensen had gemaakt: mensen in witte gewaden, noemt hij ze.
Al die mensen vóór Gods troon - of het nu christenen,
joden, moslims of hindoes waren - kwamen naar God in kleren van vele
kleuren van goede en minder goede daden. Maar door de aanraking van de
aanwezigheid van God en van Jezus, die zich door de aanvaarding van zijn
bloedige kruisdood helemaal met God had verenigd, werden hun kleren -
werden ze zelf - helemaal vlekkeloos en rein.
Dat hun kleren vlekkeloos en rein werden betekent dat
zij, doordat ze vóór God waren verschenen, door God en door Jezus in
Gods kracht, werden omgevormd van mensen, die alleen op zichzelf waren
gericht, tot mensen die uit liefde voor God lijden op zichzelf wilden
nemen. Wie het leven van God wil leven, moet bereid zijn, als de
omstandigheden het vragen, pijn omwille van anderen op zich te nemen, als
die pijn iets goeds voor hen kan meebrengen.
Maar daartoe moet God ons de kracht van zijn eigen
liefdevolle meelijden met zijn mensen schenken. Wij moeten ons openstellen
voor de meelijdende liefde van God. Ook Jezus kon maar meelijden met ons,
omdat hij zichzelf helemaal liet doorstromen van Gods liefde. Ook Jezus
liet zich door Johannes de Doper in de Jordaan dopen, om helemaal van God
doorstroomd te worden. Zo kon hij worden tot wie hij is geworden.
Mogen ook wij bereid zijn ons door Gods liefdevolle
kracht te laten doorstromen. Dan zullen ook wij - onze kleren door het
liefdevol vergoten bloed van Jezus gereinigd, en zo waardig geworden van
het goddelijk leven - in blanke gewaden vóór God kunnen verschijnen.
Jaak Vandenbulcke o.p. |
| |