Dominicanen Leuven Zondagspreken
  1 november  - Allerheiligen Afdrukken
 

 

Lezingen:

Apocalyps 7,2-4.9-14
Matteüs 5,1-12a

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar


Door Gods liefdevolle kracht doorstroomd

Vrienden,
De schrijver van de Apokalyps – of zoals we nu zeggen: het boek der openbaringen – laat in zijn visioen van alle heiligen vóór de troon van de God, die wij aanbidden en vereren, een van de oudsten, die vóór de troon van God stonden, tot hem zeggen: ‘Wie zijn dat in die witte gewaden, en waar komen ze vandaan?’. De schrijver van de Apokalyps antwoordt: ‘Heer, dat weet gij’. Toen zei de oudste: ‘Dat zijn degenen die komen uit de grote verdrukking, die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het lam.’

Deze tekst is een stukje uit de vertelling van de schrijver over een visioen van de eindtijd na het einde van de wereld. Die schrijver heeft dat visioen niet zo gezien, zoals hij het hier vertelt. Hij heeft de innerlijke ervaring van een majestueuze en liefdevolle innerlijke aanwezigheid van God aan alle mensen, die God in hun leven kunnen ervaren, onder menselijke woorden gebracht, en die woorden voor het eerst zo ontworpen. Heel veel mensen die visioenen hebben gehad, zeggen dat ze wat ze ervoeren, niet onder woorden kunnen brengen. Zij zijn overrompeld door iets overweldigends. Begenadigde schrijvers kunnen dan wel met hun eigen menselijke woorden een verhaal bouwen, dat iets van die overweldigende ervaring die ze hadden, kan suggereren.

Dat de schrijver in zijn vertelde visioen niet zag wat hij vertelde, komt goed tot uiting in de laatste woorden die ik citeerde: ‘de grote menigte mensen in witte gewaden vóór de troon van God, hadden immers hun kleren wit gewassen in het bloed van het lam. Het is toch onmogelijk dat rood bloed kleren wit kan wassen. Dat is dus een spel met taal om te suggereren, dat de innerlijke aanwezigheid van God vóór de verzamelde heiligen uit alle rassen en stammen, en volken en talen, door de kruisdood van Jezus van Nazareth van al die mensen vóór hem, nieuwe mensen had gemaakt: mensen in witte gewaden, noemt hij ze.

Al die mensen vóór Gods troon - of het nu christenen, joden, moslims of hindoes waren - kwamen naar God in kleren van vele kleuren van goede en minder goede daden. Maar door de aanraking van de aanwezigheid van God en van Jezus, die zich door de aanvaarding van zijn bloedige kruisdood helemaal met God had verenigd, werden hun kleren - werden ze zelf - helemaal vlekkeloos en rein.

Dat hun kleren vlekkeloos en rein werden betekent dat zij, doordat ze vóór God waren verschenen, door God en door Jezus in Gods kracht, werden omgevormd van mensen, die alleen op zichzelf waren gericht, tot mensen die uit liefde voor God lijden op zichzelf wilden nemen. Wie het leven van God wil leven, moet bereid zijn, als de omstandigheden het vragen, pijn omwille van anderen op zich te nemen, als die pijn iets goeds voor hen kan meebrengen.

Maar daartoe moet God ons de kracht van zijn eigen liefdevolle meelijden met zijn mensen schenken. Wij moeten ons openstellen voor de meelijdende liefde van God. Ook Jezus kon maar meelijden met ons, omdat hij zichzelf helemaal liet doorstromen van Gods liefde. Ook Jezus liet zich door Johannes de Doper in de Jordaan dopen, om helemaal van God doorstroomd te worden. Zo kon hij worden tot wie hij is geworden.

Mogen ook wij bereid zijn ons door Gods liefdevolle kracht te laten doorstromen. Dan zullen ook wij - onze kleren door het liefdevol vergoten bloed van Jezus gereinigd, en zo waardig geworden van het goddelijk leven - in blanke gewaden vóór God kunnen verschijnen.

Jaak Vandenbulcke o.p.

   Terug