| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 8 augustus - hoogfeest van Sint-Dominicus |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Goede Vrienden,
De evangelietekst die ik heb voorgelezen is het
slot van het Mattheüsevangelie. Jezus verlaat onze aarde, maar Hij laat
ons niet alleen: "Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding
der wereld", zei Hij. Maar zijn werk moet voortgezet worden, zijn
boodschap moet uitgedragen worden, alle volkeren moeten tot zijn
leerlingen gemaakt worden. "Tot zijn leerlingen": want, zo zei
Hij, "Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde". En
deze woorden zijn geen aanspraak van een heerser, maar de verzekering van
een blijvende bijstand van de Heer voor iedereen die niet in zijn eigen
naam, maar in de naam van de Heer optreedt, om ook andere mensen tot die
eenheid te brengen van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die in het
doopsel wordt meegedeeld.
Die boodschap heeft Dominicus begrepen, de stichter van
onze Orde die wij vandaag vieren. Dominicus was zijn naam waardig: hij was
inderdaad een man 'van de Heer'. De taak die hij zichzelf en
zijn volgelingen en medebroeders opdroeg werd door Sint-Thomas zeer
treffend samengevat met de woorden ‘Contemplari et contemplata aliis
tradere’: aan beschouwing doen en de vrucht daarvan aan anderen
meedelen. Men kan immers niet over de Heer spreken, als men Hem zelf niet
eerst in zichzelf heeft opgenomen. Maar dat vraagt een voortdurend opnieuw
op zoek gaan naar God, want de Heer is onuitputtelijk en steeds weer nieuw
voor wie Hem opzoekt. Hij is zo rijk en zo verrassend voor ons kleine
verstand en ons schamel kunnen. En toch is alleen Hij "de weg en de
waarheid en het leven." (Johannes 14,6) en niemand komt tot de Vader
tenzij door Hem.
Is het misschien daarom dat 'Waarheid' als leuze van
onze Orde gekozen werd? Maar hoe komen wij tot de waarheid? Niemand heeft
ze in pacht, steeds weer moeten we trachten ze te benaderen, in de
kritische bereidheid om onze eigen vooroordelen en ingevingen in vraag te
stellen en uit te zuiveren. Niet zonder reden waarschuwde Sint-Paulus in
de eerste lezing van deze viering voor mensen die hun oren sluiten voor de
waarheid "om te luisteren naar allerlei mythen". Wie echter
steeds opnieuw God gaat opzoeken, bevrijdt zich van die mythen en neemt
Gods boodschap in zijn hart, om die boodschap, die 'gezonde
leer' zoals Paulus het noemt, ook op de lippen te nemen en aan anderen te
verkondigen.
Het is dan ook tekenend dat van de heilige Dominicus
gezegd wordt dat hij slechts 'met of over God' sprak. En de durf
en ondernemingszin waarmee hij zijn predikersorde gevormd heeft zijn maar
te verklaren vanuit zijn diepe overtuiging, dat alles Gods werk is, dat
Gods genade er is om dat werk te doen slagen, als wij die genade maar
genoeg ruimte geven, als wij ons werk maar genoegzaam in dienst van God
verrichten.
Dominicus' gebed was dan ook niet op de eerste plaats
tót God gericht; het ging hem om een binnentreden in Gods wezen en wil.
Zijn gebed was één en al ontvankelijkheid; niet zijn woorden tot God
waren belangrijk, maar zijn zwijgen voor God, zijn openheid voor Hem wie
"alle macht gegeven is in de hemel en op aarde". Bij hem
gebeurde wat de dominicaanse mysticus Tauler, later leerde: "Je zult
vervuld worden van God in de mate waarmee je zelf leeg loopt van
jezelf". En het bevoorrecht schietgebed van de heilige (!) Dominicus
was dan ook: "Heer Jezus Redder, wees mij zondaar genadig". In
zo'n nederig hart kòn de Heer dan ook spreken en zijn boodschap
mededelen.
En alleen zo kon Dominicus met een blijmoedig hart op
tocht gaan om anderen mee te delen waar zijn hart vol van was. Blijmoedig
en gezwind trok hij erop uit, zodat zelfs ketters die eens aan de rand van
de weg zaten om hem te belagen, door zijn blijheid getroffen werden en hem
ongedeerd lieten gaan.
Goede vrienden, ik wens u allen, en ook mezelf, die
diep gegronde blijmoedigheid, die gestoeld is op de slotzin van het
Matteüsevangelie: "Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de
voleinding der wereld". Maar werken wij er dan ook aan, om die bron
van onze vreugde steeds opnieuw op te zoeken en ruimte te geven in ons
leven van elke dag. Want pas op die manier groeit onze wereld tot zijn
voleinding, dat wil zeggen: tot het moment waarop God alles in allen zal
zijn.
Joris Backeljauw o.p. |
| |