| |
De oorspronkelijke naam van de dominicanen is
'predikbroeders'. Zusters dominicanessen heeft men ook 'predikerinnen'
genoemd. Hun meest gebruikte naam, die dateert uit de late Middeleeuwen,
ontlenen ze aan de stichter van hun orde, Dominicus
de Guzmàn
(1170-1221).
In 1216 kreeg Dominicus de goedkeuring van de paus voor de stichting van een
nieuwe religieuze orde: een gemeenschap van rondtrekkende predikanten,
oorspronkelijk bedoeld om de Franse Katharen ('ketters') te
bestrijden, niet met de wapens maar met de kracht van redelijke argumenten
en door een evangelische wijze van leven.
Zeer kort
na de stichting zond hij vanuit Toulouse zijn eerste volgelingen twee
aan twee uit naar de stedelijke centra over heel Europa: Parijs, Madrid, Rome, Bologna.
Bij de dood van Dominicus waren er reeds dominicanen in Gent,
in 1230 in Leuven en drie jaar later in Brugge.
Antwerpen volgde in 1244. Aan het einde van de eeuw telden de
Nederlanden een twaalftal kloosters, waarvan zes binnen de
grenzen van het huidige Vlaanderen.
De Gentse dominicanen hebben
een beslissende invloed gehad op de ontwikkeling van de begijnenbeweging
in Vlaanderen. Begijnen waren zich vanaf het begin van de 13de eeuw in
gemeenschappen (begijnhoven) met een eigen regel verenigden zonder blijvende
geloften af te leggen. Dominicanen stonden in voor hun geestelijke
begeleiding, in Gent tot ver in de 20ste eeuw. In het Leuvense klooster werd
in 1447 een studium generale opgericht: een studiehuis dat ook voor
jonge dominicanen uit andere provincies toegankelijk was. Vaak rondden ze
hun studie af met het behalen van een academische graad. Ook Antwerpen had
in zijn grootste bloeitijd (17de eeuw) zo'n studium generale dat veel
studenten van elders aantrok.
Ook Vlaamse dominicanen hebben zich
bijzonder ijverig getoond in de verdediging van de katholieke rechtgelovigheid
tegen de lutherse en calvinistische hervormers. De rol die sommigen onder hen
als pauselijke en keizerlijke inquisiteur (Karel V) gespeeld hebben behoort
niet tot de mooiste hoofdstukken uit de dominicaanse geschiedenis in onze
streken. Verwonderlijk is daarom niet dat vooral ook kerken en kloosters van
dominicanen zwaar getroffen werden door de razernij van de calvinistische
beeldenstorm.
Met de Contrareformatie werd een nieuwe
bloeiperiode ingeluid. Antwerpen spande toen de kroon. Van de rijkdom en
welvaart van de stad getuigt ook de in volle glorie herstelde dominicaanse
Sint-Pauluskerk.
Onder de Franse bezetting werden in 1796 de paters verbannen. In Brussel
is het dominicanenklooster tijdens het beruchte bombardement op bevel van de
Franse koning Lodewijk XIV in 1695 volledig afgebrand. Vijf jaar later was
helemaal herbouwd en groeide de gemeenschap in de loop der jaren tot 50
leden. Zoals in Antwerpen zijn ze door de Franse bezetter uit hun klooster
verdreven. Het hele complex werd openbaar verkocht en de nieuwe eigenaar
heeft het grotendeels afgebroken. Nu staat op die plaats de Muntschouwburg.
Een zelfde lot ondergingen na de Franse Revolutie de dominicaanse
kloostergemeenschappen overal elders. De orde is toen uit bijna geheel
Europa verdwenen. Maar in de tweede helft van de 19de eeuw heeft ze zich
tamelijk vlug kunnen herstellen. Men moest wel praktisch van de grond af
opnieuw beginnen. In Vlaanderen ging het initiatief uit van Gent. Daar is in
1835 opnieuw, op een andere locatie, een klooster gesticht. In 1861 is de
Belgische St.-Rosaprovincie herboren. In 1958 werd ze gesplitst in
een Vlaamse en een Waalse provincie.
Vanaf 1912 nam de provincie een eigen
missiegebied in (Belgisch) Congo voor haar rekening. Tot 1980 zijn
daar in totaal 157 missionarissen werkzaam geweest. Hun vroeger
missiegebied is thans het bisdom Isiro-Niangara. Bij de Congolese
dominicanen werkt op dit ogenblik nog één Vlaamse pater. In Peru zijn
enkele Vlaamse missionarissen werkzaam sinds eind de jaren zestig.
De Vlaamse dominicanen lagen aan de basis van het
huidige weekblad Kerk en leven. Jarenlang hebben zij de leiding
en de uitgave ervan in handen gehad. Enkele dominicanen hadden ook een
beslissende hand in het ontstaan en de vroege ontwikkeling van de
christelijke arbeidersbeweging in Vlaanderen. Overigens hebben de eerste
dominicanen die aan de K.U. Leuven doceerden zich gespecialiseerd in de
kerkelijke sociale leer. Andere dominicanen speelden in de
tussenoorlogse jaren een voorname rol in de Vlaamse Beweging.
In de tussenoorlogse periode zijn dominicanen zich in
het bijzonder gaan toeleggen op wat zij toen 'geloofsverdediging'
noemden. 'Geloofsverdediging' was mede het opzet van het tijdschrift Geloof
en wetenschap, in 1926 gegroeid uit het oudere Onze jeugd,
dat zich presenteerde als 'tijdschrift voor ontwikkelde jonge
Vlamingen'. Vier jaar later ging het veel breder opgezette maandblad Kultuurleven
van start en kort voor de oorlog begonnen de professoren van het
dominicaanse studiehuis te Leuven het Tijdschrift voor Filosofie.
Alleen de twee laatstgenoemde tijdschriften overleefden de oorlog. Later
is uit Kultuurleven het jongerentijdschrift Jeugd en cultuur
gegroeid. Onmiddellijk na de oorlog hielden de dominicanen hun Tijdschrift
voor geestelijk leven boven de doopvont. Sinds enkele jaren maakt
het nu naam als 'tijdschrift voor een verankerde spiritualiteit'.
Maar het voornaamste instrument van de dominicanen in
hun predikerswerk bleef uiteraard het gesproken woord. Ze werden
o.m. dikwijls gevraagd voor de reeks vastenpredikaties in
parochiekerken. Jarenlang was er ook een wisselende ploeg van
predikanten voor de zgn. volksmissies die geruime tijd in kerkelijk
Vlaanderen fel in trek zijn geweest. Hun jongste initiatief is de
'elektronische
predikatie'. Een groep dominicanen publiceert elke week minstens
één preek op een eigen webstek op het internet. Dit zien ze als een
eigentijdse voortzetting van hun oude traditie van 'rondtrekkende
predikers'.
In tegenstelling met de meeste andere religieuze
orden en congregaties in Vlaanderen hebben de dominicanen nooit een
eigen school of instituut voor secundair onderwijs gehad. Voor de
rekrutering van kandidaten voor de orde (novicen) rekenden ze op de
bekendheid van hun predikanten en hun tijdschriften en ook op hun
godsdienstleraren in scholen van het rijksonderwijs.
In Gent hebben ze
de studentenpastoraal aan de rijksuniversiteit uitgebouwd: het
Katholiek Universitair Centrum.
Ook de dominicanen zijn niet ontsnapt aan de sterke
neergaande beweging van het kloosterleven in Vlaanderen en de
West-Europese kerk. Hun aantal is beduidend afgenomen en de vergrijzing
eist haar tol
op. Verschillende kloosters werden opgeheven. Op dit
ogenblik telt de provincie nog negen huizen. Men zoekt naar vormen van
samenwerking over de grenzen, in de eerste plaats met Nederland. In
Brussel is onlangs een
internationale gemeenschap gesticht die, onder de leiding van een
Vlaming, door leven en werk wil inspelen op de multiculturele en
ethische uitdagingen waarvoor Europa zich gesteld ziet. |
|