Een kloosterling is een mens zoals ieder
ander.
Zoals ieder ander heeft hij van God een zelf gekregen en hij moet
dit waarmaken.
Zoals ieder ander kan hij dit zelf maar ontwikkelen in openheid voor en
in overgave aan anderen. Daar moet hij zijn eigen zelf vinden en ook wel
geschonken krijgen.
Hij kan zichzelf niet louter uit zichzelf opbouwen.
Hij kan zijn zelf niet door een ander opgelegd krijgen.
Ook hij is een vrij mens met zijn onvervreemdbare eigenheid, die heilig
is.
Zoals ieder mens leeft een kloosterling vanuit en in een lichaam.
Hij is en blijft een mens en geen engel.
Ook hij heeft noden en verlangens.
Vooral aan mensen en nog het meest aan enkele speciale anderen.
Een kloosterling kan en mag, zoals ieder mens, zich niet al te zeer
beveiligen en afschermen
tegenover anderen, die nood aan hem hebben en hem
liefde of vriendschap willen schenken.
Hij moet, zoals ieder ander, een ontvankelijk mens zijn.
En omdat hij mens is, kan dat niet zonder lichamelijk contact.
Een kloosterling moet, zoals ieder ander mens, God zoeken en voor God
ontvankelijk zijn.
Hij moet tot God kunnen inkeren.
Zoals God moet hij het lijden in zijn leven een plaats kunnen geven.
Hij moet proberen zich door dit lijden niet te laten breken.
Een kloosterling verschilt van de meeste andere mensen, omdat hij of zij
dat alles, als ongehuwd mens,
in een leefgemeenschap met meerderen vorm
poogt te geven.
Hij hoopt daarin een eigen beschikbaarheid voor meerderen te kunnen
opbouwen.
Een kloosterling verschilt van de meeste andere mensen, omdat hij of zij,
aan het gebed een gestructureerde plaats in zijn leven poogt te geven.
Zoals ieder ander mens, is een kloosterling een mens
met beperkingen en gebreken: én in zijn relatie met andere mensen én in
die met God.
Hij moet hulp en correctie aan zijn medemensen vragen.
Maar hij mag ook dankbaar zijn voor alles wat hem aan menselijkheid wordt
geschonken.
Tenslotte mag en moet een kloosterling, zoals ieder ander mens, God
danken en prijzen, omdat Hij zijn leven in zijn goddelijke hand geborgen
houdt.
Zoals bij ieder ander mens, is dat zijn beperktheid én zijn grootheid.
Jaak Vandenbulcke o.p.