Dominicaans leven

2001/1


Terug



Het evangelie volgens Pilatus
 

 

L' évangile selon Pilate (2000) is een roman, dus niets meer dan een product van de fantasie van zijn auteur, Eric Schmitt. Maar het is geen roman zoals een andere. Hij geeft een opmerkelijke interpretatie van de evangelieteksten en confronteert de lezer met zijn eigen christelijk geloof.

Opmerkelijk is de zeer lange moloog: 109 bladzijden, onder de titel 'Biecht van een ter dood veroordeelde, daags voor zijn arrestatie'. Een boek in het boek, waarin Jezus terugblikt op zijn leven en er de balans van opmaakt. Dus een soort autobiografie van Jezus. Het eigenlijke boek bestaat uit een lange reeks brieven van Pilatus aan zijn tweelingbroer Titus in Rome, waarin hij bijna dag na dag verslag uitbrengt van zijn wedervaren met Jezus en van de problemen waarmee hij drie dagen na Jezus' terechtstelling kreeg af te rekenen toen ontdekt werd dat zijn graf leeg was.

Een autobiografie van Jezus

In de terugblik op zijn leven beschrijft Jezus hoe hij in Nazareth, in de omgang met de klanten van zijn vader, met de buren en de inwoners van het dorp, gaandeweg zijn 'roeping' ontdekt heeft. Bijna was hij getrouwd met Rebecca (de weduwe van Naïm in het evangelie), maar hij brak zijn verloving af op het moment dat hij tot de ontdekking kwam dat zijn geliefde alleen met hun beidjes en met hun toekomstig geluk inzat.

"Toen heb ik ontdekt welk diep egoïsme er in het geluk zit. Het geluk schept afstand, het maakt een gesloten huis, het sluit de gordijnen, het vergeet de anderen, het trekt onoverschrijdbare muren op. Het geluk veronderstelt dat men weigert de wereld te zien zoals hij is. Boven het geluk wilde ik de liefde stellen. Maar niet de liefde die ik voelde voor Rebecca, de exclusieve liefde. Ik wilde niet meer de liefde in het bijzonder, maar de liefde in het algemeen. Ik was niet gemaakt voor het geluk. En daarom dus was ik niet gemaakt voor de vrouwen. Dat alles heeft Rebecca mij ondanks haarzelf geleerd. Zes maanden later is ze getrouwd met een aantrekkelijke jonge boer uit Naïm."

Maria maakte zich grote zorgen om haar zoon. Ze spreekt hem over zijn neef Johannes, de boeteprediker die men 'de onderdompelaar' (= doper) noemt en naar wie de mensen van heinde en ver komen kijken en luisteren. Je moet hem eens gaan bezoeken, zegt ze, misschien kan hij je helpen, want je zit duidelijk in de problemen. Na veel aandringen gehoorzaamt hij zijn moeder.

Johannes herkent Jezus, niet alleen als zijn neef, maar als de door God gezonden man. Hij veroorzaakt sensatie als hij luid roept: "Daar! Hij is het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt." Jezus begrijpt er niets van. Na zijn onderdompeling valt hij in bezwijming. De mensen omstuwen hem als hij bij bewustzijn komt, en hij gaat op de loop.

In de woestijn, op de vlucht voor de mensen, is het hem allemaal duidelijk geworden:
"Daar heb ik mijn val gemaakt. Ik viel..., ik viel..., ik viel... Toen kreeg ik het gevoel dat mijn val vertraagde... Ik kwam terecht in een oceaan van licht. Daar was het warm. Daar begreep ik alles. Daar had ik een absoluut vertrouwen. Ik was afgedaald in de smederij van het leven, in het centrum, de haard, waar alles smelt en met elkaar wordt versmolten, waar alles wordt beslist. In het binnenste van mezelf vond ik niet mezelf, maar meer dan mezelf, veel meer."

Als die mystieke ervaring voorbij is, komt Jezus tot het besef: "Ik heb mezelf niet gevonden, daar, in het hart van de woestijn. Neen. Ik had God gevonden. Van toen af maakte ik elke dag de onbeweeglijke reis..."Zo beschrijft Eric Schmitt het besef dat Jezus had van zijn 'goddelijkheid'. Zo verstaat hij ook de vermeldingen in de evangelie over Jezus die zich afzonderde om de bidden. "Mijn reizen naar de bodem van de put", laat hij hem zeggen.

Jezus was een begenadigd genezer. Zelf beschouwde hij die niet direct als 'wonderen', maar als het resultaat van zijn liefdevolle bejegening van zieken en van mensen die onder vreemde kwalen leden. Wat hij eigenlijk wilde, was zijn boodschap over de onbegrensde liefde verkondigen. Maar dat interesseerde de mensen veel minder dan zijn vermogen om te genezen. Er klinkt een zekere verbittering mee in zijn beschrijving daarvan. "De Galileeërs luisterden naar mij met open mond. Het is met de mond dat ze luisteren. Met hun oren horen ze niets. Ze stelden alleen belang in mijn wonderen. Ik was voor "hen een soort functionaris van God." Ook over zijn vrienden van het eerst uur (de 'apostelen') klaagt hij dat ze niet of maar half verstaan wat hij eigenlijk wil. Op een bepaald moment wordt het Jezus duidelijk dat hij naar Jeruzalem moet trekken, het religieuze en politieke centrum van zijn volk, en ook dat zijn optreden in de hoofdstad hem het leven zal kosten. Maar hij zwicht niet voor de doodsdreiging. "Mijn reizen (naar de put) gaven me de bevestiging dat er niets te vrezen viel en dat de dood uiteindelijk niets anders kon zijn dan een mooie verrassing." Vlak voor zijn arrestatie zegt hij: "Over enkele uren zal men weten of ik werkelijk de getuige van mijn Vader ben, ofwel een gek, na zoveel andere gekken. Wat ik vrees, betekent niets in vergelijking met wat ik hoop."

Het lege graf

Drie dagen na de terechtstelling van Jezus, op zijn gezag als landvoogd uitgevoerd, werd Pilatus opgezadeld met het explosieve probleem van het lege graf en de geruchten over verschijningen van Jezus. Hij zag maar twee mogelijke verklaringen. Ofwel hebben Jezus' volgelingen zijn lijk gestolen en voeren ze nu een ingenieuze maskerade op, ofwel is Jezus zelf uit zijn graf opgestaan en was hij dus maar schijndood. Dit laatste was de overtuiging van Kajafas, met wie Pilatus overleg pleegde. Kajafas zag in Jezus een handige bedrieger. Zijn beschrijving van het bedrog kan men ook lezen als een mooi portret van Jezus en een goede samenvatting van zijn boodschap.
"Hij was buitengewoon intelligent en een groot opportunist, die erin geslaagd is de zwakheden en de verlangens van het volk te capteren. Alles in zijn optreden komt neer op een voortschrijdende en demagogische verovering van de volksgunst. Hij wist hoezeer de scrupuleuze en dagelijkse naleving van de wet op de joden weegt. Zeer handig maakt hij zich los uit de strikte gehoorzaamheid aan de gedetailleerde regels en lanceert zijn slogan 'De mens is er niet voor de sabbat, maar de sabbat voor de mens'."

Hij wist hoezeer de vrouwen er in de joodse samenleving onder leden dat ze gereduceerd werden tot hun onderbuik. Hij vleit ze en doet in hen de passionele snaar trillen door voortdurend over de liefde te spreken. Hij wist dat de meeste mensen nauwelijks genoeg verdienen om zich in leven te houden. Dus prijst hij de armoede en stigmatiseert de rijken. Hij wist dat de bevolking van Palestina gemengd is en onderling verdeeld. Daarom ontwikkelt hij het thema van de broederlijkheid en gebruikt hij een net met brede mazen. Hij wist dat de mensen dagelijks zondigen en weten dat ze zwak zijn. Daarom vindt hij de vergiffenis der zonden uit.

Hij zag hoe vroom de joden zijn, en hoe gehecht aan hun tradities. Hij beweert dus dat hij niet gekomen is om af te schaffen, maar om te vervolmaken.

Hij kende de heilige teksten tot in de details en heeft zich ingespannen om de profetieën te vervullen en zich op die manier te doen erkennen als de Messias. Hij wist ook dat het niet lang zou duren eer het sanhedrin hem zou veroordelen en dat, mocht hij vlak voor het paasfeest gekruisigd worden, de joodse wet verbiedt dat zijn lichaam aan het kruis bleef hangen. Daarom organiseerde hij zijn arrestatie en verhaastte zijn veroordeling door zijn stilzwijgen. Hij spaarde zijn krachten om het enkele uren op het kruis te kunnen uithouden. Hij simuleerde zijn dood en hield zich drie dagen schuil. En dan is hij begonnen met zijn verschijningen."

Pilatus gelooft niet dat Jezus een bedrieger was. "Ik ben veeleer geneigd te denken', schrijft hij aan zijn broer in Rome, "dat het Jozef van Arimathea is die van Jezus gebruik maakt en dat Jezus zelf zijn rol in de hele manipulatie niet helemaal doorziet. Beschouwt hij zijn bezwijming op het kruis niet als een soort dood waaruit hij is opgestaan? In hoever is hij zelf er niet van overtuigd dat hij verrezen is?"

De landvoogd laat alles door zijn soldaten en spionnen nauwgezet onderzoeken. Van Jezus vinden ze nergens een spoor. Jozef van Arimathea bewijst dat Jezus wel degelijk dood was toen zijn lichaam in het graf werd gelegd en dat ook hij niet weet hoe het lijk is kunnen verdwijnen. Het komt ook vast te staan dat Jezus' leerlingen er voor niets tussenzitten.

Pilatus ziet zich gedwongen te besluiten: "De Jezus-affaire is niet alleen een raadsel, maar een mysterie. Een raadsel is niets meer dan een probleem dat je nog niet hebt opgelost. Door een mysterie word je beangstigd: het is een probleem dat je nooit kunt oplossen. Het geeft te denken, het spreekt de verbeelding aan. Maar ik wil niet denken. Ik wil kennen, weten." En dan gaat hij op zoek naar zijn vrouw Claudia, die door Jezus werd genezen en naar Galilea is vertrokken in de hoop daar Jezus te zien verschijnen. Als hij haar na veel omzwervingen vindt, verneemt hij dat Jezus definitief uit deze wereld is verdwenen. Hij zegt tegen zijn vrouw: "Ik zal dus nooit christen zijn, Claudia. Ik heb niets gezien, ik heb alles gemist, ik ben te laat gekomen. Als ik zou willen geloven, zou ik het getuigenis van de anderen moeten geloven.

Claudia antwoordt hem: "Misschien ben jij dan wel de eerste christen."Wij leven in een tijd na vele eeuwen christendom, maar zitten we niet in een situatie zoals die van Pilatus indertijd? Er bestaat geen graf van Jezus dat we kunnen versieren en waar we bij gelegenheid kunnen gaan bidden. We lezen en horen elk jaar met Pasen de oude getuigenissen volgens welke hij uit zijn graf zou opgestaan zijn en de verwarde verhalen over zijn verschijningen, waarvan men kan zeggen dat het misschien hallucinaties waren. Als we willen geloven, moeten we die getuigenissen geloven.

Als we die getuigenissen in de paasvieringen in herinnering roepen, doen we dat op een bijzonder plechtige manier. Het bijzondere bestaat hierin, dat we niet, zoals op andere zondagen, de christelijke geloofsbelijdenis bidden, maar onze doopbeloften hernieuwen, dat wil zeggen de beloften die anderen in onze plaats hebben afgelegd, en opnieuw worden gedoopt, dat wil zeggen met enkele druppels wijwater worden besprenkeld.

Als we aan dit herdopingsritueeel meer belang willen hechten dan dit van een herhaling van oude formules en gebaren, zullen we er iets heel anders moeten van maken. We zullen 'dopen' weer moeten verstaan en beleven en gestalte geven zoals het oorspronkelijk is gedaan: je compleet laten onderdompelen in de duisternis en de dodelijke dreiging van het water en eruit opgetrokken worden, als een nieuwe mens. afdalen in het graf, zoals het zaad dat in de grond wordt gestopt, en het leeg achterlaten door de kracht te vinden en te krijgen om eruit op te staan. Zoals het zaad dat afsterft om in de lente nieuw leven te laten geboren worden.

Als we van Pasen een daadwerkelijke viering - een viering die metterdaad uitwerkt wat ze viert - van een verrezen leven willen maken, het leven waarover de dood geen macht meer heeft, zullen we door het graf heen moeten geraken en dus moeten beginnen met erin af te dalen. Het graf, dat is alles wat ons in de duisternis gevangen houdt, met als uitzicht het deksel dat we uit eigen kracht alleen niet kunnen openbreken. We kunnen zelf alvast beginnen met uit de lijkwade te kruipen en ze leeg op te plooien.

B.]. De Clercq o.p.