L' évangile selon Pilate (2000) is een roman, dus niets
meer dan een product van de fantasie van zijn auteur, Eric Schmitt. Maar het is
geen roman zoals een andere. Hij geeft een opmerkelijke interpretatie van de
evangelieteksten en confronteert de lezer met zijn eigen christelijk geloof.
Opmerkelijk is de zeer lange moloog: 109 bladzijden, onder de
titel 'Biecht van een ter dood veroordeelde, daags voor zijn arrestatie'. Een
boek in het boek, waarin Jezus terugblikt op zijn leven en er de balans van
opmaakt. Dus een soort autobiografie van Jezus. Het eigenlijke boek bestaat uit
een lange reeks brieven van Pilatus aan zijn tweelingbroer Titus in Rome, waarin
hij bijna dag na dag verslag uitbrengt van zijn wedervaren met Jezus en van de
problemen waarmee hij drie dagen na Jezus' terechtstelling kreeg af te rekenen
toen ontdekt werd dat zijn graf leeg was.
Een autobiografie van Jezus
In de terugblik op zijn leven beschrijft Jezus hoe hij in
Nazareth, in de omgang met de klanten van zijn vader, met de buren en de
inwoners van het dorp, gaandeweg zijn 'roeping' ontdekt heeft. Bijna was hij
getrouwd met Rebecca (de weduwe van Naïm in het evangelie), maar hij brak zijn
verloving af op het moment dat hij tot de ontdekking kwam dat zijn geliefde
alleen met hun beidjes en met hun toekomstig geluk inzat.
"Toen heb ik ontdekt welk diep egoïsme er in het geluk zit.
Het geluk schept afstand, het maakt een gesloten huis, het sluit de gordijnen,
het vergeet de anderen, het trekt onoverschrijdbare muren op. Het geluk
veronderstelt dat men weigert de wereld te zien zoals hij is. Boven het geluk
wilde ik de liefde stellen. Maar niet de liefde die ik voelde voor Rebecca, de
exclusieve liefde. Ik wilde niet meer de liefde in het bijzonder, maar de liefde
in het algemeen. Ik was niet gemaakt voor het geluk. En daarom dus was ik niet
gemaakt voor de vrouwen. Dat alles heeft Rebecca mij ondanks haarzelf geleerd.
Zes maanden later is ze getrouwd met een aantrekkelijke jonge boer uit Naïm."
Maria maakte zich grote zorgen om haar zoon. Ze spreekt hem
over zijn neef Johannes, de boeteprediker die men 'de onderdompelaar' (= doper)
noemt en naar wie de mensen van heinde en ver komen kijken en luisteren. Je moet
hem eens gaan bezoeken, zegt ze, misschien kan hij je helpen, want je zit
duidelijk in de problemen. Na veel aandringen gehoorzaamt hij zijn moeder.
Johannes herkent Jezus, niet alleen als zijn neef, maar als
de door God gezonden man. Hij veroorzaakt sensatie als hij luid roept: "Daar!
Hij is het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt." Jezus begrijpt er
niets van. Na zijn onderdompeling valt hij in bezwijming. De mensen omstuwen hem
als hij bij bewustzijn komt, en hij gaat op de loop.
In de woestijn, op de vlucht voor de mensen, is het hem
allemaal duidelijk geworden:
"Daar heb ik mijn val gemaakt. Ik viel..., ik viel..., ik
viel... Toen kreeg ik het gevoel dat mijn val vertraagde... Ik kwam terecht in
een oceaan van licht. Daar was het warm. Daar begreep ik alles. Daar had ik een
absoluut vertrouwen. Ik was afgedaald in de smederij van het leven, in het
centrum, de haard, waar alles smelt en met elkaar wordt versmolten, waar alles
wordt beslist. In het binnenste van mezelf vond ik niet mezelf, maar meer dan
mezelf, veel meer."
Als die mystieke ervaring voorbij is, komt Jezus tot het
besef: "Ik heb mezelf niet gevonden, daar, in het hart van de woestijn. Neen. Ik
had God gevonden. Van toen af maakte ik elke dag de onbeweeglijke reis..."Zo
beschrijft Eric Schmitt het besef dat Jezus had van zijn 'goddelijkheid'. Zo
verstaat hij ook de vermeldingen in de evangelie over Jezus die zich afzonderde
om de bidden. "Mijn reizen naar de bodem van de put", laat hij hem zeggen.
Jezus was een begenadigd genezer. Zelf beschouwde hij die
niet direct als 'wonderen', maar als het resultaat van zijn liefdevolle
bejegening van zieken en van mensen die onder vreemde kwalen leden. Wat hij
eigenlijk wilde, was zijn boodschap over de onbegrensde liefde verkondigen. Maar
dat interesseerde de mensen veel minder dan zijn vermogen om te genezen. Er
klinkt een zekere verbittering mee in zijn beschrijving daarvan. "De Galileeërs
luisterden naar mij met open mond. Het is met de mond dat ze luisteren. Met hun
oren horen ze niets. Ze stelden alleen belang in mijn wonderen. Ik was voor "hen
een soort functionaris van God." Ook over zijn vrienden van het eerst uur (de
'apostelen') klaagt hij dat ze niet of maar half verstaan wat hij eigenlijk wil.
Op een bepaald moment wordt het Jezus duidelijk dat hij naar Jeruzalem moet
trekken, het religieuze en politieke centrum van zijn volk, en ook dat zijn
optreden in de hoofdstad hem het leven zal kosten. Maar hij zwicht niet voor de
doodsdreiging. "Mijn reizen (naar de put) gaven me de bevestiging dat er niets
te vrezen viel en dat de dood uiteindelijk niets anders kon zijn dan een mooie
verrassing." Vlak voor zijn arrestatie zegt hij: "Over enkele uren zal men weten
of ik werkelijk de getuige van mijn Vader ben, ofwel een gek, na zoveel andere
gekken. Wat ik vrees, betekent niets in vergelijking met wat ik hoop."
Het lege graf
Drie dagen na de terechtstelling van Jezus, op zijn gezag als
landvoogd uitgevoerd, werd Pilatus opgezadeld met het explosieve probleem van
het lege graf en de geruchten over verschijningen van Jezus. Hij zag maar twee
mogelijke verklaringen. Ofwel hebben Jezus' volgelingen zijn lijk gestolen en
voeren ze nu een ingenieuze maskerade op, ofwel is Jezus zelf uit zijn graf
opgestaan en was hij dus maar schijndood. Dit laatste was de overtuiging van
Kajafas, met wie Pilatus overleg pleegde. Kajafas zag in Jezus een handige
bedrieger. Zijn beschrijving van het bedrog kan men ook lezen als een mooi
portret van Jezus en een goede samenvatting van zijn boodschap.
"Hij was buitengewoon intelligent en een groot opportunist,
die erin geslaagd is de zwakheden en de verlangens van het volk te capteren.
Alles in zijn optreden komt neer op een voortschrijdende en demagogische
verovering van de volksgunst. Hij wist hoezeer de scrupuleuze en dagelijkse
naleving van de wet op de joden weegt. Zeer handig maakt hij zich los uit de
strikte gehoorzaamheid aan de gedetailleerde regels en lanceert zijn slogan 'De
mens is er niet voor de sabbat, maar de sabbat voor de mens'."
Hij wist hoezeer de vrouwen er in de joodse samenleving onder leden dat ze
gereduceerd werden tot hun onderbuik. Hij vleit ze en doet in hen de passionele
snaar trillen door voortdurend over de liefde te spreken. Hij wist dat de meeste
mensen nauwelijks genoeg verdienen om zich in leven te houden. Dus prijst hij de
armoede en stigmatiseert de rijken. Hij wist dat de bevolking van Palestina
gemengd is en onderling verdeeld. Daarom ontwikkelt hij het thema van de
broederlijkheid en gebruikt hij een net met brede mazen. Hij wist dat de mensen
dagelijks zondigen en weten dat ze zwak zijn. Daarom vindt hij de vergiffenis
der zonden uit.
Hij zag hoe vroom de joden zijn, en hoe gehecht aan hun
tradities. Hij beweert dus dat hij niet gekomen is om af te schaffen, maar om te
vervolmaken.
Hij kende de heilige teksten tot in de details en heeft zich
ingespannen om de profetieën te vervullen en zich op die manier te doen erkennen
als de Messias. Hij wist ook dat het niet lang zou duren eer het sanhedrin hem
zou veroordelen en dat, mocht hij vlak voor het paasfeest gekruisigd worden, de
joodse wet verbiedt dat zijn lichaam aan het kruis bleef hangen. Daarom
organiseerde hij zijn arrestatie en verhaastte zijn veroordeling door zijn
stilzwijgen. Hij spaarde zijn krachten om het enkele uren op het kruis te kunnen
uithouden. Hij simuleerde zijn dood en hield zich drie dagen schuil. En dan is
hij begonnen met zijn verschijningen."
Pilatus gelooft niet dat Jezus een bedrieger was. "Ik ben
veeleer geneigd te denken', schrijft hij aan zijn broer in Rome, "dat het Jozef
van Arimathea is die van Jezus gebruik maakt en dat Jezus zelf zijn rol in de
hele manipulatie niet helemaal doorziet. Beschouwt hij zijn bezwijming op het
kruis niet als een soort dood waaruit hij is opgestaan? In hoever is hij zelf er
niet van overtuigd dat hij verrezen is?"
De landvoogd laat alles door zijn soldaten en spionnen
nauwgezet onderzoeken. Van Jezus vinden ze nergens een spoor. Jozef van
Arimathea bewijst dat Jezus wel degelijk dood was toen zijn lichaam in het graf
werd gelegd en dat ook hij niet weet hoe het lijk is kunnen verdwijnen. Het komt
ook vast te staan dat Jezus' leerlingen er voor niets tussenzitten.
Pilatus ziet zich gedwongen te besluiten: "De Jezus-affaire
is niet alleen een raadsel, maar een mysterie. Een raadsel is niets meer dan een
probleem dat je nog niet hebt opgelost. Door een mysterie word je beangstigd:
het is een probleem dat je nooit kunt oplossen. Het geeft te denken, het spreekt
de verbeelding aan. Maar ik wil niet denken. Ik wil kennen, weten." En dan gaat
hij op zoek naar zijn vrouw Claudia, die door Jezus werd genezen en naar Galilea
is vertrokken in de hoop daar Jezus te zien verschijnen. Als hij haar na veel
omzwervingen vindt, verneemt hij dat Jezus definitief uit deze wereld is
verdwenen. Hij zegt tegen zijn vrouw: "Ik zal dus nooit christen zijn, Claudia.
Ik heb niets gezien, ik heb alles gemist, ik ben te laat gekomen. Als ik zou
willen geloven, zou ik het getuigenis van de anderen moeten geloven.
Claudia antwoordt hem: "Misschien ben jij dan wel de eerste
christen."Wij leven in een tijd na vele eeuwen christendom, maar zitten we niet
in een situatie zoals die van Pilatus indertijd? Er bestaat geen graf van Jezus
dat we kunnen versieren en waar we bij gelegenheid kunnen gaan bidden. We lezen
en horen elk jaar met Pasen de oude getuigenissen volgens welke hij uit zijn
graf zou opgestaan zijn en de verwarde verhalen over zijn verschijningen,
waarvan men kan zeggen dat het misschien hallucinaties waren. Als we willen
geloven, moeten we die getuigenissen geloven.
Als we die getuigenissen in de paasvieringen in herinnering
roepen, doen we dat op een bijzonder plechtige manier. Het bijzondere bestaat
hierin, dat we niet, zoals op andere zondagen, de christelijke geloofsbelijdenis
bidden, maar onze doopbeloften hernieuwen, dat wil zeggen de beloften die
anderen in onze plaats hebben afgelegd, en opnieuw worden gedoopt, dat wil
zeggen met enkele druppels wijwater worden besprenkeld.
Als we aan dit herdopingsritueeel meer belang willen hechten
dan dit van een herhaling van oude formules en gebaren, zullen we er iets heel
anders moeten van maken. We zullen 'dopen' weer moeten verstaan en beleven en
gestalte geven zoals het oorspronkelijk is gedaan: je compleet laten
onderdompelen in de duisternis en de dodelijke dreiging van het water en eruit
opgetrokken worden, als een nieuwe mens. afdalen in het graf, zoals het zaad dat
in de grond wordt gestopt, en het leeg achterlaten door de kracht te vinden en
te krijgen om eruit op te staan. Zoals het zaad dat afsterft om in de lente
nieuw leven te laten geboren worden.
Als we van Pasen een daadwerkelijke viering - een viering die
metterdaad uitwerkt wat ze viert - van een verrezen leven willen maken, het
leven waarover de dood geen macht meer heeft, zullen we door het graf heen
moeten geraken en dus moeten beginnen met erin af te dalen. Het graf, dat is
alles wat ons in de duisternis gevangen houdt, met als uitzicht het deksel dat
we uit eigen kracht alleen niet kunnen openbreken. We kunnen zelf alvast
beginnen met uit de lijkwade te kruipen en ze leeg op te plooien.
B.]. De Clercq o.p.