Dominicaans leven

2001/4


Terug



Lessen van de prediker

Uit het bijbelse boek Prediker (Kohelet in het Hebreeuws) kennen veel mensen de vaak geciteerde uitspraken over de ijdelheid van alle dingen. Het begint al in eerste zinnen na de titel: "IJl en ijdel, zegt de Prediker, alles is ijdel. Wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en tobben onder de zon?"

Geloof onderweg, het Nederlandse 'tijdschrift voor bezinning en gelovig leven vandaag vanuit dominicaans milieu', plaatst dit jaar de lessen die vandaag uit het boek Prediker te trekken zijn voor het voetlicht. In het laatst verschenen nummer 3 gaat de aandacht naar een passage uit hoofdstuk 3, onder de algemene titel 'Verbeeld je maar niks...'. Hierna volgen twee op elkaar aansluitende artikels uit dit nummer.


Als er nu niets is...

Prediker heeft het moeilijk. Hij heeft een probleem. Hij ziet goede en slechte mensen. Hij ontdekt dat het vele rechtvaardigen slecht gaat en dat velen, die onrecht bedrijven, de wind in de zeilen hebben. Maar ze sterven allen. Ja, het is nog ingewikkelder. Ook de dieren gaan dood. Wat is er nu voor verschil tussen mens en dier? Of: waarom zijn er zovelen slachtoffer van onrecht en sterven ze in armoede of onderdrukking? Zie naar de machtigen, die vol van boosheid zijn, en ongestraft de laatste adem uitblazen! En hoe gaat God er mee om? Of houdt met de dood alles op, en zinken mens en dier weg in absolute vergetelheid?

Wat ik zie...

Prediker zegt: "Ik heb gezien dat onder de zon rechteloosheid de plaats heeft ingenomen van het recht; en op de plaats van de rechtschapenheid is de onrechtschapene woonachtig" (3:16).
Ik denk dat veel mensen het met hem eens zijn. Er is geen tijd geweest waarin er alleen maar sprake was van recht en eerlijk handelen. De schaduw van het kwade en het lelijke ontbreekt nooit. Meestal leren we ermee leven en moeten we dat ook. Maar het blijft met name bij de slachtoffers van onrecht doorzeuren als een onuitroeibare kwaal of een ongeneeslijk pijn.

Wat ik denk...

Prediker zegt: "Ik zei bij mezelf: eenmaal worden de rechtschapene en de onrechtschapene berecht door God, want alles heeft zijn tijd, alles heeft zijn tijd..." (3:17).
Het is ondenkbaar dat God het kwade laat zegevieren over het goede. Het biedt wellicht weinig troost in het aardse bestaan, en in die zin blijf ik met mijn emoties en frustraties zitten. Maar mijn verstaan van wat rechtvaardigheid betekent wordt een weinig tevreden gesteld. Maar dan moet mijn verstand wel op volle toeren draaien. Ik leef nu eenmaal in het heden en weet dat ik eens sterven zal. Wanneer ik door het onrecht van boze mensen getroffen word, wil ik niet later of na mijn dood, maar nu in datzelfde ogen blik ervan bevrijd worden. Zo dat onmogelijk is, hoop ik dat op een redelijke termijn te ondervinden. Wanneer ik als gevolg van onrecht geen werk heb, ernstig ziek ben, honger lijd, gemarteld en onderdrukt word, biedt het me weinig troost als ik wachten moet op een leven na de dood, waar alles wordt recht getrokken.

Wat ik vrees...

Prediker zegt: "Ik zei bij mezelf: wat de mensen betreft, God heeft hen op de proef willen stellen, heeft hen hun verwantschap met dieren willen inprenten. Vergaat het mensen en dieren soms niet hetzelfde, wacht hen niet een zelfde lot?" (3:18-19).
Prediker zegt: "Zoals de een sterft, sterft de ander, ze ademen alle een zelfde geest, de mens heeft niets voor op het dier: want het leven is lucht. Alles gaat dezelfde weg, uit stof is het ontstaan en stof zal het weer worden" (3:19-20). Ik krijg het er benauwd van. Waarom leef ik eigenlijk? Kun je niet beter een dier zijn, dat niet nadenkt over zijn bestaan, geen hinder heeft van geloof en verplichtingen, zich onderwerpt aan de dagelijkse gang en de eigenaardigheden van de natuur! En de mensen maar zwoegen, vechten, lijden en niet begrijpen. Mens en dier gaan in lucht op. Hèvél, damp zijn we.

Wat ik hoop...
In de dagen van Prediker was geloven in een hiernamaals als een eiland, verzonken achter de horizon. Je kunt het niet zien, je weet niet hoe het er uit ziet, je kunt er niet komen. Toch, als je daar naar de einder staat te staren, krijg je het gevoel dat er iets ligt. Je weet zelfs niet dat het een eiland is. Je kent het woord niet eens, want je bent een vastelander. Je gelooft dat er iets is en het is niet zonder grond. Zo stond Prediker met een mond vol tanden in een tijd van snelle veranderingen en ontwikkelingen, vreemde en niet-joodse invloeden op denken en doen. Hij zegt: "Of is er iemand die durft beweren dat de adem der mensen omhoog stijgt en de adem van de dieren neerslaat, op de aarde blijft hangen?" (3:21)
Deze vraag is een roep om verheldering. Prediker denkt wat zovelen de eeuwen door hebben gedacht: is er een betrouwbaar persoon, die me zegt hoe het gaat na de dood, waaraan alle leven is onderworpen? Is het aardse leven een en al geboorte? Keert daarom niemand terug? Het zijn vragen en vermoedens die voortkomen uit de worsteling met onze werkelijkheid, juist omdat recht en onrecht, mens of dier niets veranderen aan het onontkoombare van de dood. We sterven allen!

Wat mij rest...

Prediker zegt: "Zo heb ik begrepen dat het maar het beste is voor de mens om tevreden te zijn bij al wat hij doet. Het is het enige wat hij heeft. Want wie zal hem onderwijzen in de kunst verder te kijken dan zijn leven lang is?" (3:22).
Ik vermoed dat er meer is na de dood dan een volkomen leegte. Maar zolang niemand daarvan getuigenis aflegt, lijkt het me verstandig goed met het dagelijkse en de dingen van nu om te gaan. Als mens zijn niet langer is dan een leven lang, laat ik me dan bewust zijn van tijd, ruimte en plaats. Pluk de dag, ga zorgvuldig met anderen om, waardeer wat je hebt en ontvangt, verheug je over wat je geven kunt en voor anderen betekenen mag. Geniet van eten en drinken, van je werk en je rust. Wees dankbaar voor zoveel goeds en treur om het verdriet dat we elkaar berokkenen.

Hoe kunnen we Prediker begrijpen! Zelfs zij die geloven in het getuigenis dat drie eeuwen later zal opklinken over de opstanding uit de doden, stellen vaak vragen, hebben twijfels en zien de dood niet gaarne onder ogen. "Ik ben de verrijzenis en het leven", heeft Jezus Messias gezegd, "en wie op mij vertrouwt, zal, zelfs als hij gestorven is, leven" (Johannes 11:25)!
We zijn van de aarde, en dat zullen we weten ook.

Ernst Marijnissen o.p.

Waartoe zijn wij op aarde?

Wat maken we onszelf toch verschrikkelijk druk om allerlei dingen. Wat doen we vaak gewichtig over dingen die in feite niets voorstellen. Wat maken we soms een halszaak van dingen die de moeite van het noemen niet waard zijn. Als we aan het eind van ons leven terugkijken, dan zullen heel wat van ons moeten zeggen: hoe is het mogelijk dat ik me daar toen zo ontstellend over opgewonden heb! Allemaal gebakken lucht!

Waarmee houden we ons bezig? Waaraan besteden we onze aandacht, onze tijd, ons geld? Is het allemaal wel de moeite waard? Wat blijft er van over na onze dood? Is er wel een perspectief, een leven na de dood? Wie garandeert dat? Er is nog nooit iemand teruggekomen om ons daarvan te overtuigen. Wat heeft ons leven voor zin? De schrijver van het boek Prediker is een ontnuchterend realistisch mens. Hij laat zich niet met een kluitje in het riet sturen. Hij kijkt door mooie woorden heen. "IJl en ijdel, alles is ijdel. Wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en tobben onder de zon." Dat zegt hij niet zomaar. Hij heeft veel levenservaring. Hij heeft overal rondgekeken in zijn leven. Hij heeft gezocht. Maar de oogst valt hem niet mee. Hij is geen pessimist. Hij is nuchter. Hij is niet ongelovig. Hij gelooft wel degelijk in God. Maar hij heeft iets van Thomas: eerst zien, dan geloven!

Waartoe zijn wij op aarde? De vraag naar de zin van het leven heeft mensen altijd bezig gehouden. Alle godsdiensten hebben daar antwoorden op gegeven. Het gaat om zo' n fundamentele vraag dat onze oude catechismus daarmee begon.

1. Vóór 1948 luidde het antwoord op deze vraag: "Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor in de hemel te komen." Dat antwoord was door anderen voor ons bedacht. Je had het alleen maar uit je hoofd te leren. Een antwoord dat aan duidelijkheid niets te wensen overliet. 'God dienen' werd in die tijd heel kerkelijk ingevuld. Hoe je God moest dienen, dat bepaalde de Kerk. Heel het leven van de katholieke gelovigen werd van boven af geleid. Van de wieg tot het graf. Een centraal uitgangspunt daarbij vormde: je moest je verre houden van de boze wereld. De 'wereld' leidde je alleen maar af van je hemelse roeping. Buiten de Kerk was geen heil. Binnen de kerk waren alle mogelijkheden voorhanden die je nodig had.
Buiten de kerk was het donker. Wie buiten de Kerk stierf kon de hemel dan ook vergeten. De enige zin van dit leven bestond erin om de hemel te verdienen. Alle nadruk lag op het hiernamaals. Daarom moest een kind onmiddellijk na de geboorte gedoopt worden. Daarom moest aan iemand die al dood was toch nog het Oliesel gegeven worden.

2. Na 1948 werd het antwoord ingrijpend veranderd: "Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te zijn." Het eerste deel van het antwoord is hetzelfde gebleven. Ook in deze periode probeerde de kerk aan te geven wat het betekende: 'God dienen'. Dat ging moeilijker omdat meer mensen zelf gingen nadenken en zelf verantwoordelijkheid gingen nemen.
Het tweede deel van het antwoord geeft blijk van een verschuiving in levensgevoel. De bedoeling van ons leven is dat we hier en hiernamaals gelukkig zijn. Lag vóór 1948 het accent bijna eenzijdig op het 'in de hemel komen ', na 1948 is er sprake van evenwicht tussen gelukkig zijn in het hiernamaals en in het hiernamaals. We hebben hier te maken met een geweldige kentering. Een verandering die het meewerken aan een betere wereld (ook politiek) ineens veel meer ruimte gaf. Laat ik liever zeggen: ruimte leek te geven!
Ik vind het ook typerend dat 'in de hemel komen' is vervangen door 'hiernamaals gelukkig te zijn '. Daardoor werd minstens de suggestie gewekt dat' hier en 'hiernamaals' niet vijandig waren aan elkaar, maar in elkaars verlengde konden liggen.

3. Na 1965 (na het tweede Vaticaans concilie) zien we opnieuw een verandering in levensgevoel. Er komt een steeds grotere nadruk te liggen op het leven nu, op het hiernumaals. Veel katholieken die nog grotendeels leefden in de vroegere voorgeschreven geloofsbeleving, begonnen zich steeds onzekerder te voelen. Ze voelden zich in de kou staan. Godfried Bomans ontpopte zich in die jaren als een belangrijke spreekbuis van deze groep. Ik herinner me van hem deze markante uitspraak. Ik geef ze in mijn eigen woorden weer: "Vroeger waren bejaarden mensen die er bijna waren. Nu zijn het mensen die er bijna zijn geweest." Sterker en (voor velen) dramatischer kan je het veranderende levensgevoel niet verwoorden. Het accent ligt op het nù! Oud-zijn betekent: je hebt het bijna gehad! Veel mensen hebben daaronder geleden.

4. Na 1980. Aan het eind van de jaren zeventig kwam er weer een verschuiving in ons levensgevoel. Toen begon het eindeloze vooruitgangsgeloof te stagneren. De maakbaarheid van de wereld, van het leven, werd steeds meer in twijfel getrokken. Wat levert de technische vooruitgang ons op? Houdt onze technische vooruitgang gelijke tred met onze psychische groei? Dreigt onze geestelijke gezondheid niet het slachtoffer te worden van onze technische perfectie?
Iemand zei eens: de moderne mens is te vergelijken met een aap in een Rolls Royce. De wagen is perfect. Maar de bestuurder kan elk moment de controle over zijn voertuig verliezen. Reiken we niet te hoog? Weten we onze plaats wel? Of om het bijbels te zeggen: Zijn we niet opnieuw een onmogelijke toren van Babel aan het bouwen?

5. Als iemand mij zou vragen een antwoord te geven op die aloude vraag 'Waartoe zijn wij op aarde', dan zou ik me beperken tot het eerste deel van dat oude catechismusantwoord: 'om God te dienen'. Daar zou ik het bij laten. Misschien vindt u dat vreemd. Misschien had u van mij een heel ander antwoord verwacht. Toch ben ik ervan overtuigd dat met het woord 'God' heel de zin van mijn (ons) leven is aangegeven. Maar ik moet er natuurlijk wel onmiddellijk bij zeggen dat mijn Godsbeeld, mijn beleving van God grondig is gewijzigd in de loop van de jaren. Tussen 1948 en 2001 ligt een wereld van verschil. Heb ik God in de beginjaren heel sterk boven mij ervaren, ik beleef God de laatste jaren heel sterk in mij. Als de kern van mijn leven, als mijn diepste Bron. Heb ik God vroeger heel sterk streng, soms zelfs als beklemmend ervaren, nu ervaar ik God als bevrijdend.

Ik noem God het liefst met de Godsnaam van Mozes: JHWH, Ik zal er zijn voor jou. In die naam zit voor mij niet alleen een opdracht opgesloten, maar ook een bemoediging. Die naam heeft alles te maken met onze relaties (voor jou) en met onze toekomst (zal). Naarmate we er in slagen er te zijn voor elkaar, zo goed als God te zijn voor elkaar, in die mate beleven we ons leven als zinvol. Het accent in die naam ligt niet in het dingen dóen voor elkaar, maar op het er zijn voor elkaar. Er 'zijn voor een ander' is totaler dan iets voor een ander 'doen'. En er 'zijn voor een ander' kun je tot het eind van je leven, ook als je niet meer in staat bent om iets voor een ander te dóen.

Prediker een tijdgenoot? De levensinstelling van Prediker zal voor heel wat mensen in onze tijd herkenbaar zijn, heel herkenbaar. Iemand die niet voetstoots aanneemt wat anderen voorschrijven. Iemand die in God gelooft. Maar die zijn geloven met kritische vragen vergezeld laat gaan. Iemand die zich de wet niet laat voorschrijven. Zeker niet van boven af. Iemand die heel goed kan observeren. Iemand die zelf op onderzoek uitgaat naar de waarden in het leven. Iemand die het daardoor allerminst gemakkelijk heeft, maar die heel dicht bij zichzelf blijft. Kortom, voor velen in onze tijd zal zijn boekje uitermate actueel zijn.

Seef Konijn